Uw mildheid moet bij alle mensen bekend zijn

Paulus, Fil. 4 - Introitus zondag 17 december

Preken

LEBUINUS lieve vriend,

LEBUINUS lieve vriend,
samenvatting van de overweging tijden de ‘Evensong’ op zaterdag 11 november 2017 in de Broederenkerk van de St. Lebuinusparochie in Deventer.

Zojuist hebben we gezongen: ‘Wij hebben voor u gebeden…’ met: ‘Gaat uit over alle landen (…) verkondig het Evangelie’. In de schriftlezing hebben we gehoord, dat deze opdracht van de Heer zelf afkomstig is. In een vraaggesprek dat eerder deze week is gepubliceerd, gaf bisschop Van den Hende van Rotterdam zelfs aan, dat het verkondigen van het Evangelie de voornaamste taak van de Kerk is. Daarmee zijn we meteen bij de persoon en het werk van Lebuinus.

In onze samenleving is een vast patroon gegroeid van de beschrijving van een persoon in een CV, een biografie of een in memoriam. Na data en plaatsen van geboorte en (indien van toepassing) overlijden volgt iets over de persoonlijke levensstaat en de familie, vervolgens over genoten onderwijs en gevolgd door de loopbaan, met nevenfuncties, publicaties van en over de persoon, afgesloten met onderscheidingen en ander eerbetoon.

Voor Lebuinus is dit er allemaal nauwelijks en dus moeten we het over een andere boeg gooien. In het verleden gebeurde dat ook al en dat leidde tot het vermengen van werkelijkheid en fictie. Daar bestaat een genre voor: niet dat van de wetenschappelijke biografie, maar van de hagiografie. Daarin vormen feit en fictie één realiteit. Die vertelt het verhaal van Gods bedoelingen met een heilig leven, i.c. van een belijder, ‘Apostel van Deventer, patroon van Overijssel’.

Zijn naam luidt: Liafwin, gelatiniseerd Lebuinus, letterlijk: Lieve vriend. Hij was Angelsaksisch, een Brit met een afkomst uit een familie van het continent. De herkomst van Lebuinus moet worden gezocht in de omgeving van Ripon in Yorkshire. Zijn opleiding heeft hij gekregen in een abdij van benedictijnen en daar is hij ook als monnik ingetreden. In zo’n type klooster stond echter niet het beginsel van de ‘stabilitas’ centraal, de stabiliteit, zoals die ook tegenwoordig nog geldt in de benedictijnse wereld. Nee, integendeel, voor monniken uit die tijd gold juist de ‘perigrinatio’, het erop uittrekken naar onbekende streken. Dus pelgrim worden. In een droom zou Liafwin zijn geïnspireerd om te gaan evangeliseren in het grensgebied van Franken en Saksen in de Lage Landen. Dat idee paste prima in de uitbreiding van het Christendom vanuit Utrecht in oostelijke richting. Zo kwam de nieuwe missionaris in het jaar 768 naar Utrecht met zijn ambtgenoot Marchelm, wiens naam werd gelatiniseerd tot Marcellinus. In Utrecht zetelde Gregorius, abt van het klooster en leider van het missiebisdom aldaar.

De kerstening was toen al ongeveer tachtig jaar gaande, Willibrord was de grondlegger ervan, Bonifatius een belangrijke bisschop. Beiden werkten ook in aangrenzend Duitsland, De nieuwkomers gingen aan de slag in de vallei van de IJssel, de grensstreek waar Lebuinus al van had gedroomd. Hij was hier de eerste missionaris.

De missionering begon in Wilp, weldra gevolgd door een oversteen naar de nederzetting aan de overzijde van de IJssel. Of daar toen al sprake was van Deventer is de vraag, maar er zullen al wel mensen hebben gewoond, anders had het geen zin om daar te gaan werken. Dan begint een periode van succes en tegenslag, van bouw en verwoesting van een kerkje.

In deze tijd valt ook het bezoek van Lebuinus aan een volksvergadering van Saksen in Marklo aan de Weser, nabij de Porta Westfalica. De rivier de Weser doorsnijdt daar het gebergte. Leidende figuren uit de kring van de Saksen waren daar in vergadering bijeen. Het optreden in zo’n samenkomst paste in het beleid in de missie, om top-down te werken. Als het lukte de leidinggevenden te overtuigen, volgde het volk zonder veel problemen. Tot concrete resultaten leidde Lebuinus’ optreden niet. Het was al mooi dat hij het er levend afbracht. Rond dit bezoek bestaan allerlei aandoenlijke verhalen. Zo is daar de vriendelijke ontvangst van een geestverwant met een aardige hond. Het advies aan ‘Lieve Wiennie’ om niet naar de vergadering te gaan sloeg de missionairs in de wind. Bij deze verhalen hoort ook de omschrijving, dat Liafwin ‘een vriendelijk Engels gezicht’ had. Wat dat betekende is niet na te gaan, maar in het kader van de Brexit is het wel van belang, te onthouden dat er vriendelijke Engelsen waren (en zijn).

Het sterfjaar van Lebuinus kan worden gesteld op 773. Hij is dus ongeveer vijf jaar langs de IJssel werkzaam geweest. Ludger, de latere bisschop van Munster, heeft zijn werk voortgezet: het kerkje na een volgende verwoesting herbouwd, het graf zeker gesteld en met dat laatste gezorgd voor relieken.

Iedere middeleeuwse stad wenste zich een eigen, plaatselijke heilige. Die gold als voorbeeld van christelijk leven en als voorspreker van de stad en haar inwoners in de hemel. Die voorstelling van zaken ging terug op het concept van de gemeenschap van de heiligen: de mensen op aarde, die in de hemel en degenen die na hun dood in de hemel hoopten te komen, vormen één gemeenschap die onderling verbonden was door gebed. De strijdende (aarde), lijdende (vagevuur) en triomferende (hemel) Kerk vormde één geheel.

Het gelovige volk vereerde de heiligen, vierde hun gedenkdagen, organiseerde bedevaarten en processies. Om de directe nabijheid van de heilige te ervaren was niets zo mooi als relieken. Vooral lichaamsresten maakten de heilige tastbaar aanwezig. Ludgers markering van Lebuinus’ graf was daarom van grote betekenis. De beenderen konden er na verloop van tijd uitgehaald worden en worden ‘verheven’. Dat betekende dat ze in zilveren kasten een plaats kregen in de Romaanse dom die in 1040 op of nabij de oudste kerkjes van Deventer was verrezen. Het ‘verheffen’ van relieken betekende in de praktijk het vrijgeven van de publieke verering van een heilige ofwel, in moderne termen, een heiligverklaring. Daarmee konden de relieken een plaats innemen en extra glans verlenen aan de cultus ter ere van de heilige. Uieraard kreeg de kapittelkerk, het voornaamste bedehuis van de stad en het gewest Overijssel, de naam van Lebuinus en daar werd twee maal per jaar zijn gedachtenis luisterrijk gevierd: op zijn eigenlijk feestdag, op 12 november, en op de dag van het ‘verheffen’ de ‘translatie’ (overbrenging genaamd) op 25 juni. De verering voor de stadspatroon kwam ook tot uitdrukking in processies, bedevaarten en een eigen officie (koorgebed). Tot dit laatst behoorden de ‘metten van St. Lebuinus’, die vorig jaar hier in de Broederenkerk zijn uitgevoerd door de Schola Cantorum Karolus Magnus uit Nijmegen. De relieken zijn na de reformatie ondergedoken en via schuil- en huiskerken in de 19de  eeuw geplaatst in de Broederenkerk, die in 1799 aan de katholieke geloofsgemeenschap werd toegewezen. Het sprak voor die gemeenschap vanzelf, dat het kerkgebouw en de bijbehorende parochie Lebuinus’ naam gingen dragen. Hoe groot de betekenis was van de nabijheid van een heilige door middel van relieken kan blijken uit dit doosje, waarin kleine stukjes bot van Lebuinus, Marcellinus en de heilige bisschop Radboud zijn opgenomen. Het is afkomstig uit mijn eigen familie. De protestantse gemeente verwierp aanvankelijk iedere verwijzing naar de naam Lebuinuskerk en hield vast aan Grote Kerk. Thans echter koestert ook de Protestantse Gemeente Deventer de oude naam en spreekt over de Lebuinuskerk. Zo kennen wij in Deventer nu dus twee kerkgebouwen met die naam. Dat leidt soms tot hilarische misverstanden.

De parochie beschikt over enkele historische kunstvoorwerpen van grote waarde, die al te gemakkelijk met de patroonheilige in verband werden gebracht: restanten van liturgische kleding (die zouden nog wel van hem kunnen zijn geweest), een ivoren kelk en een evangelieboek. De kelk werd bij bijzondere gelegenheden gebruikt als ciborie en elk van mijn vier grootouders heeft hieruit bij de Eerste Heilige Communie de hostie aangereikt gekregen. Het evangelieboek deed tot in de 16de eeuw dienst bij de inhuldiging van iedere nieuwe bisschop van Utrecht, die met zijn hand op dit boek de eed van trouw aflegde ten overstaan van de vertegenwoordigers van de inwoners van het Oversticht (Overijssel). Zo werden verbindingen gemaakt tussen de eerste geloofsverkondiger en de actualiteit. Dat laatste gold ook het zingen van het Lebuinuslied uit het z.g. Berlijnse liedboek, dat zusters van het gemene leven in de 15de eeuw hadden geschreven.

In de loop van de tijd kwam het tot een zekere standaardisatie van de afbeelding van de heilige, geïnspireerd door oude levensbeschrijvingen. Lebuinus verschijnt in liturgische kleding (dalmatiek of – correcter – kazuifel), een (evangelie)boek in de ene hand, een kruis of een vaandel met een kruis in de andere. Het aardige is, dat de weergave in dit vaste patroon altijd plaats vindt in de stijl van de tijd: van de late Middeleeuwen tot en met de 21ste eeuw. Zo zijn er houtsneden in vroege drukken, gravures, een zilveren oliedoos, een geborduurd vaandel, gebrandschilderde ramen, paramenten en het beeld hier in de kerk (1856). En dan is er uiteraard de in 1891 vervaardigde reliekschrijn, Wat een uitstraling een dergelijk object kan hebben, blijkt uit de aandacht voor en deelname aan de processie die, voor het eerst na de hervorming van 1591, in 2003 door de straten van Deventer trok. Toen was dat om te gedenken en te vieren, dat de Broederenkerk twee eeuwen lang in gebruik was bij de katholieke gemeenschap. Het ligt in de bedoeling, volgend jaar een dergelijke processie in een wat andere vorm opnieuw te houden. U zult begrijpen, dat u morgen hier terug moet komen. Dan kunt u de schrijn zien binnendragen, u kunt de ramen en de beelden zien, het nieuwe Lebuinusbeeld bewonderen en het lied ter ere van de stadspatroon meezingen.

Concluderend kan worden gezegd, dat in 768 op de plaats van het latere Deventer een nederzetting heeft bestaan die het stichten van een missiepost rechtvaardigde. Het jaar van de viering van 1250 jaar Deventer is dus voorzichtig gekozen. Maar belangrijker is, dat die viering niet ts verbonden met een jubileum van muntslag, tolrechten of markten, maar met een concrete persoon. Het gaat om de man die hier het Christelijk geloof heeft gebracht, maar ook de Christelijke beschaving, kunst en cultuur, waarin wij nog steeds mogen leven. Een correcte CV van Lebuinus hebben we dus niet, maar we hebben iets veel belangrijkers: we delen met hem ons geloof en onze beschaving en dat gaan we het komend jaar vieren, te beginnen met het feest van morgen.

Deventer, 11 november 2017
Dr. C.M. Hogenstijn.