Voor U, God, zijn wij gelijkwaardig.

Communiegebed zondag 20 oktober

Het Schwarze orgel

Het Schwarze orgel

Het pijporgel van de H. Nicolaaskerk in Schalkhaar.

Hoog op het oksaal, achterin de kerk staat een pijporgeltje, dat in 1900 voor onze kerk is gebouwd door Ludwig Schwarze, een orgelbouwer uit Anholt in Westfalen, Duitsland. De aanschaf kostte het kerkbestuur destijds elfhonderd gulden!               Wie bij het verlaten van de kerk even omhoog kijkt, ziet in het front een rij pijpen staan, die we 'prestanten' noemen van het latijn: vooraanstaanden.

Het is maar één van de acht soorten pijpen die dit orgel rijk is. De vorm, de bouw van de pijp bepaalt zijn klankkleur (timbre). Dit orgel heeft  acht soorten pijpen of klankkleuren. Een volledige serie gelijksoortige pijpen, van hoog tot laag, noemen we een register. Die registers kunnen, naar eigen idee, door de organist gecombineerd en toegepast (aan- en uitgezet) worden.

Na de keuze van de registers, het samenstellen van de klank, zet de organist zijn vingers op de toetsen van het klavier (of eventueel zijn voeten op een serie grote toetsen die hij met zijn voeten bedient, het zogenaamde pedaal). Wat gebeurt er dan technisch?

Onder alle pijpen bevindt zich lucht die door een ventilator ingeblazen wordt. Bij het neerdrukken van een toets wordt een ventiel (afsluitklepje) onder de pijp weggenomen en kan de lucht de pijp instromen: de pijp wordt aangeblazen, er komt geluid uit! Wordt de toets weer losgelaten dan sluit het ventiel de luchtstroom weer af, zodat de pijp weer zwijgt.

 Bij een pijporgel kun je drie hoofdonderdelen onderscheiden: 1. Het 'windwerk' : de ventilator, balgen en alle kanalen met ventielen om het orgel van 'adem' te voorzien. (Vóór de uitvinding van de elektriciteit moest een 'orgeltrapper' of ' balgentreder' voor de nodige lucht zorgen!) 2. De pijpen, die de klank, het karakter van het orgel bepalen. Ons orgel heeft, zoalsgezegd, acht stemmen of registers die het orgel een laatromantisch, Duits karakter meegeven middels ongeveer 450 pijpen. 3. Het 'regeerwerk' : de keuzeknoppen voor de registers, het handklavier (manuaal) en het voetklavier (pedaal), de hulpmiddelen dus die de organist nodig heeft om zijn instrument te laten horen.

Ons pijporgel, dat momenteel om liturgische en praktische redenen alleen wordt gebruikt bij z.g. avondwaken en sommige weekenddiensten, verdient toch onze aandacht. Omdat de orgelpijpen met dezelfde lucht worden aangeblazen die wij allen gebruiken om te ademen en te zingen, omdat onze zang en de orgelklank via dezelfde lucht die zich om ons heen bevindt op ons gehoor worden overgebracht, mag het niemand verbazen dat een organist-met-hart-en-ziel altijd zal kiezen voor het natuurlijke geluid van het pijporgel. Onze stemmen mengen zich het best met het geluid van het pijporgel. Beter dan met het geluid van het elektronische orgel, dat weliswaar op heel verdienstelijke wijze probeert een pijporgel na te bootsen, maar de natuurlijke klank mist die Ludwig Schwarze in het 'echte' orgel heeft gelegd!